A3

ARGUMENT 3. HET ARCHITECTUURBEELD


PRINT


“Het is de zaak van de kunst en van de kritiek om, op alle mogelijke manieren, listig, de stortvloed van beelden en de manier waarop de beelden massaal de aandacht absorberen, te keren. Om die massa eenduidige beelden, gereduceerd tot signalen, tegen te houden en hun werking te absorberen.” [1] Bart Verschaffel, ‘Wantrouw het beeld!’, in De zaak van de kunst (Gent: A & S / books, 2010).p. 26

In het ‘Edito’ van A+ 274 Representation [2] Lisa De Visscher, red., Representation, vol. 274, A+ (Brussel: ICASD, 2018). stelt Lisa De Visscher dat vele geroemde gebouwen een heel beperkte ‘reële’ zichtbaarheid bezitten. Het leeuwendeel van ons collectieve geheugen en eigen referentiekader is gebaseerd op architectuur die we nooit zelf ervaarden. Zonder kanttekeningen beschrijft ze hoe op meerdere vlakken van het architectuurdiscours het beeld meer en meer belang, zeggingskracht, authenticiteit en identiteit toe-eigent, ten koste van het gebouw: “Het ontwerp schept een beeld, en het beeld voedt op zijn beurt opnieuw het ontwerp. Die kruisbestuiving brengt soms beelden voort die op zichzelf bestaan en de realisatie van een gebouw niet meer nodig hebben”

Het nummer gaat voorts in op hoe de beeldcultuur in de architectuur niet langer louter de rol van representatie vervult, maar ook meer en meer actief in het ontwerpproces en de totstandkoming van een gebouw een stem krijgt. Bij samenwerkingen tussen architectuurbureau ’s en -fotografen, in architectuurwedstrijden, in de ambiguïteit van grafici in het architectuurbureaus, bij de huisstijl van architectuurbureaus …
De artikels prikkelen, en planten de kiem voor een verdere reflectie over de plaats van beelden in de architectuur. Bij nader inzien wordt doorheen Representation bijna nergens een kritische noot aangehaald, nergens wordt deze overhand van representatie op de architectuur in vraag gesteld.

In dit essay probeer ik via een aantal grote denkers mijn onderhuidse, intuïtieve kritiek ten opzichte van architectuurbeelden te vertalen en te staven om de schijnbare onschuld van de beeldcultuur te ontkrachten. Ik tracht de architectuurcultuur [3] Doorheen de tekst verwijs ik vaak naar een reeks termen die erg breed te begrijpen vallen. Om zo volledig en precies mogelijk te zijn, worden de betreffende termen en hun interpretaties voor de duur van deze tekst hieronder op gelijst.

‘de beelden’ = elk beeldend medium dat vandaag in de publieke en private sfeer wijdverspreid, met uitbreiding van het geluid die bij of de tekst die in het beeld gegeven zijn.
‘de beeldcultuur’ = de huidige maatschappij waarin de beelden wijdverspreid zijn.
‘de architectuurwereld’ = de verzameling personen die intensief, al dan niet professioneel, met elkaar in dialoog gaan voor en over de architectuur.
‘het architectuurdiscours’ = de verzamelde, hedendaagse dialoog van de architectuurwereld.
‘de architectuurbeelden’ = elke representatie van architectuur in beelden, gebouwd of niet, die gebruikt wordt in het architectuurdiscours, en elke representatie van architectuur in beelden die door de architectuurwereld aan de maatschappij wordt gepresenteerd.
‘een architecturaal gebouw’ = een gebouw dat behandeld wordt in het architectuurdiscours.
te behandelen als onderdeel van de beschreven maatschappelijke tendenzen, niet als metafoor. Natuurlijk is deze tekst geen pleidooi voor het verbranden van elk architectuurbeeld. Het beeld is een beladen, maar uiterst handige tool in het proces dat architectuur heet, maar het mag deze gebruikswaarde niet overstijgen. Wat lijkt te gebeuren, is de verwarring van the means met the end, het mixen van signifié en signifiant, de juxtapositie van afgebeelde en afbeelding.



A) Bernard Tschumi – Over de paradox


“Indeed, architecture constitutes the reality of experience while this reality gets in the way of the overall vision. Architecture constitutes the abstraction of absolute truth, while this very truth gets in the way of feeling. We cannot both experience and think that we experience. “The concept of dog does not bark”; the concept of space is not in space.” [4] Bernard Tschumi, ‘The Architectural Paradox’, Studio International, oktober 1975. 48

Na afloop van het verlies van de Grote Verhalen in het architectuurdiscours, zoals het aantoonbare falen van het modernisme en het verwerpen van de klassieke ordes, onderscheidt Tschumi in The Architectural Paradox twee volgende, strijdige paradigma’s. Hij beschrijft een paradox tussen de ervaren ruimte en de geanalyseerde ruimte, een paradox tussen de reële ruimte en de ideale ruimte. Tschumi doet hierbij beroep op twee tegengestelde concepten van filosoof en schrijver Georges Bataille: de Piramide en het Labyrint.
In de Piramide domineert het idee boven de materie. Wiskunde, fysica en vooral filosofie dematerialiseren en abstraheren de ruimte en de architectuur. Architectuur kan hier enkel gedacht en gerepresenteerd worden in een ruimte als een cognitief product. Het labyrint daarentegen stelt de concreet ervaren ruimte van een subject voor. Dit is de sociale ruimte, de artistieke ruimte, de sensoriële ruimte, de subjectieve ruimte, kortom, de direct geleefde ruimte van het hier en nu.
Tschumi stelt dat het onmogelijk is om ruimte tegelijkertijd te analyseren, via woorden, beelden en concepten, en te ervaren, door te dwalen, te wonen of te bouwen. Architecturaal discours en realiteit zijn wederzijds afhankelijk, maar tegelijkertijd exclusief.

Als architectuur fundamenteel beide is, wordt, voor het eerst, architectuur onmogelijk [5] Tschumi. 48.. De architectuur zit vast in een paradox waar enerzijds de vertaling van een theoretisch discours in een gebouwde realiteit nooit perfect kan gebeuren, en anderzijds een ruimtelijke ervaring nooit volledig in discours – of beeld – gevat kan worden. Klassieke ordes, sociale ambities of deconstructivistische fantasieën lijken goed op papier, maar daar blijft het vaak ook bij. Het concretiseren van deze conceptuele schema’s tot een gebouw ingebed in een sociale, economische en politieke context resulteert steeds tot een flauw, waterig afkooksel van de ambitie.
Bovendien, en fundamenteler, strookt de subjectiviteit van de concreet geleefde ruimte niet met één of andere theoretische intentie van de architect. Iedereen ervaart een ruimte vanuit zijn of haar gender, cultuur, validiteit, herinnering, persoonlijkheid … Het blijkt onmogelijk om een gebouw zo op te vatten dat ze één specifieke, theoretisch vooropgestelde ervaring voortbrengt bij al haar gebruikers [6] Marcel Duchamp, ‘The Creative Act’, in The essential writings of Marcel Duchamp, onder redactie van Michel Sanouillet en Elmer Peterson (New York: Da Capo, 1973), 138–40., zonder te vervallen in gevangenisarchitectuur.

Tschumi ziet verschillende mogelijke ontsnappingsroutes uit deze paradox, die allen één of andere vorm van transgressie [7] Bernard Tschumi, ‘Architecture and Transgression’, Oppositions, Winter 1976. inhouden, maar afgeleid uit het huidige architectuurdiscours komt er in mijn ogen maar één echte winnaar uit de bus: het architectuurbeeld. Architectuurbeelden vormen in één toegankelijk, gefixeerd en universeel ding de perfecte mix van Piramide en Labyrint. Via architectuurbeelden is het mogelijk om conceptuele ideeën gecontroleerd en aantrekkelijk te materialiseren, onafhankelijk van maatschappij, bouwfysica of tijd. Anderzijds vindt er in het architectuurbeeldbeeld een objectivering of standaardisering plaats van de sensoriële ervaring. De subjectiviteit van de ervaren ruimte wordt door het architectuurbeeld vernauwd tot één gefixeerd perspectief op het gebouw, strak gecontroleerd door de architect en zijn of haar team van grafici.

De immense en voortdurende aanwezigheid van beelden in onze dagdagelijkse realiteit tast het begrip van onze wereld, en bij uitbreiding onze architectuur, aan. De huidige scheefgetrokken relatie tussen de maatschappij en zijn beelden wordt uitvergroot en versterkt in het architectuurdiscours, een stiel die van oudsher sterk afhankelijk is van beelden. De focus op efficiëntie en snelheid, vaak via het scherm, creëert een architectuurdiscours waarin we steeds minder reële ervaringen opdoen van architecturale gebouwen. Het architectuurbeeld maakt voor de architectuurwereld een erzats-ervaring mogelijk, biedt een soort gevoel van ruimtelijkheid, zonder die effectief zelf beleefd te hebben.
Het architectuurbeeld vermomt zich dus als Labyrint, maar ze is een constructie, een representatie, een abstractie, en dus ontegensprekelijk Piramide. Het architectuurbeeld brengt ons in de waan dat we wél met reële ervaringen te maken hebben, het architectuurbeeld veinst telkens ruimtelijkheid die ons de sensoriële wederhelft van de paradox doet vergeten en minimaliseren.



B) Lieven De Cauter – Over de capsule


“De meeste capsules zijn serieproducten en dus wezenlijk generisch (zoals auto’s). Maar ook de capsule-architectuur tendeert naar het generische, of, wat soms nog erger is, naar een generische originaliteit (catchy images, design). De capsule heeft, naast al haar andere functies, een constant neveneffect dat haar politieke en efficiëntie garandeert: ze induceert, in de termen van McLuhan, een specifiek soort verdoving. Capsule-architectuur is struisvogelpolitiek.” [8] Lieven De Cauter, De Capsulaire beschaving: Over de stad in het tijdperk van de angst, Reflect 03 (Rotterdam: NAi Uitgevers, 2009).

Lieven De Cauter beschrijft in De capsulaire beschaving het doemscenario van de neoliberale stad geteisterd door dualisering, globalisering, controletechnologieën, de naderende ‘catastrofes’, de permanente uitzonderingstoestand … Het fundamentele denkbeeld van De Cauter dat al deze, vaak erg uiteenlopende, doembeelden verbindt, is de capsularisering. Binnen het kapitalisme wordt de oneindige accumulatie van kapitaal als het hoogste doel beschouwt, die door middel van de ongelijke ruil vergaard wordt. [9] De Cauter. 41. De dualisering van de Wereld, in centrum en periferie, in burcht en kamp, in het Noorden en het Zuiden, in de haves en de haves-not, is de oorzaak en het gevolg van deze ongelijke ruil. Deze ongelijke verhouding wordt via het exclusieve netwerk van beschermde burchten, de capsulaire maatschappij, verankerd en versterkt. De dualisering en zijn samenhangende capsularisering voltrekt zich zowel op de schaal van het individu (de auto), als van de architectuur (het atrium), de stad (de gated community) en de wereld (het paspoort), maar ook in de dagdagelijkse ervaring (de hoofdtelefoon) en de virtuele ruimte (het scherm). De capsularisering is een fenomeen dat, op gelijkaardige manier als het spektakel [10] Guy Debord, De Spektakelmaatschappij, vertaald door Jaap Kloosterman (Bussum: Wereldvenster, 1976). 10., zich in elke hoek van de samenleving manifesteert, zich op elk kantje van onze leefwereld inwerkt, waaronder dus ook het architectuurdiscours.

De massa en diversiteit aan verschijningsvormen en -plaatsen van de architectuurbeelden verankeren en versterken de oppositie tussen architecturale gebouwen en de gebouwen van alledag. Doorheen de geschiedenis is de architectuurwereld altijd wel in meer of mindere mate een afgesloten wereld gebleven, die steeds een beperkt aandeel van de gebouwde wereld beschreef, maar het huidige architectuurbeeld benadrukt, fixeert en begrenst deze contrasten tot in het extreme. De enige bestaansdimensie van een gebouw in het architectuurdiscours is zijn eigen beeld. Anders gesteld, zonder een eigen beeld, of toch op zijn minst zonder een eigen aantrekkelijk beeld, kom je er niet in. De capsule van de architectuurbeelden polariseert tussen de architectuur en de banaliteit. Enkel het architectuurbeeld bepaalt welke gebouwen tot de architecturale canon behoren en welke niet, enkel en alleen dit criterium bepaalt a priori of een gebouw beoordeeld, gekend, beschermd, en herinnerd kan worden.



C) Neil Leach – Over de roes


Via De Cauter stoot ik op Neil Leach, die vanuit een gelijkaardig kader specifiek ingaat op het architectuurbeeld. In The Anaesthetics of Architecture [11] Neil Leach, The Anaesthetics of Architecture (Cambridge, Massachusetts: The MIT Press, 1999). extrapoleert hij het gedachtengoed van Guy Debord, Jean Boudrillard en Walter Benjamin – in deze tekst aangevuld met een neurobiologische kanttekening [12] Louis Schreel, Esthetica I: De Esthetische Ervaring Beschouwd Vanuit Lichaam, Brein en Bewustzijn (Gent: Faculteit Letteren en Wijsbegeert, Vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap, 2020). – tot een hedendaagse kritiek op architectuurbeeld en -wereld [13] Het boek doet dit beter dan ik binnen deze tekst ooit zou kunnen doen..

De meest talrijke en voortdurende aanwezigheid van beelden in onze leefwereld, in combinatie met hun simulacrumdimensie [14] Het simulacrum beschrijft Baudrillard als een soort afgesloten geheel aan tekens en beelden die de realiteit en onze ervaring van de realiteit vervangt en simuleert. De beelden en tekens verwijzen enkel nog naar elkaar, ze vormen een voortdurende, circulaire tautologie dat op geen enkele manier meer verwijst naar het echte. Baudrillard betoogt dat ons leven zich enkel nog binnenin dit simulacrum afspeelt; de echte realiteit is uitgesloten van onze ervaring. Jean Baudrillard, Simulacrum and Simulation, vertaald door Sheila Faria Glaser (Michigan: The University of Michigan Press, 1994)., die elke reële context en verwijzing uitsluit, induceert een ander soort van kijken bij ons. Zoals ook Debord [15] Debord, De Spektakelmaatschappij. betoogt, is het spektakel niet alleen beperkt tot de verzameling van beelden en massa-media, maar bevat het ook een soort maatschappelijke houding tot, of gebruik van, beelden.
Het lezen van beelden wordt gereduceerd tot een geobjectiveerd overlezen, een kortstondig en oppervlakkige sweep over de beelden, waarbij enkel hun aantrekkelijkheid en platte verschijning worden beoordeeld. Elke diepere lezing van inhoud, diepte of compositie verdrinkt in de stroom van steeds nieuwere beelden die aan ons worden opgedrongen.

Bovendien overweldigt de massa beelden onze zintuigen met hapklare, op maat gemaakte prikkels waar we geen blijf mee weten. In de natuur is het de taak van elk organisme om in elk ervaren moment die informatie te selecteren en te kiezen die voor het organisme van belang is. [16] Schreel, Esthetica I: De Esthetische Ervaring Beschouwd Vanuit Lichaam, Brein en Bewustzijn. Het organisme filtert in fracties van een seconde in de massa aan visuele, auditieve en andere informatie die zaken die voor het voorbestaan van het organisme van belang zijn: de belangrijke worm onderscheidt ze en verkiest ze boven de belangeloze steen. Dit doet het organisme uit spaarzaamheid: het is natuurlijk onmogelijk om alle prikkels te onderzoeken, het is te intensief en te langzaam om alle prikkels te vatten en te verwerken in één juist en coherent wereldbeeld – dat doet er niet toe. Het organisme beschermt zichzelf dus van overprikkeling door in de ervaring enkel hetgeen te selecteren wat van belang is.
Het beeld verstoort echter deze normale gang van zaken voor de mens. Het beeld is al voorgekauwd, het beeld is zo gemaakt – al dan niet door de kunstenaar – dat het al beantwoordt aan dit selectieproces van onze waarneming. [17] Schreel Het beeld bezit op die manier een impliciete aantrekking tot ons, een onderhuidse voorbestemdheid voor onze aandacht die het zo meedogenloos opzuigt. “Het beeld frappeert immers ‘van nature’. [18] Verschaffel, ‘Wantrouw het beeld!’ Het beeld trekt méér de aandacht dan de wereld zelf, die het intensieve en langdurige proces van actieve selectie nog moet ondergaan.

Leach heeft het over de roes van het beeld, “the anaesthetics of aestheticization“, een warme zwijm die over ons lichaam heen trekt en het beschermt tegen de overprikkeling door het beeld. [19] Leach, The Anaesthetics of Architecture; Leach. 43 – 45 De impliciete aantrekkingskracht ingesloten in het beeld creëert een aanzuigeffect, een oogverblindend verslavend effect dat elke andere waarneming afblokt en uitsluit. Scroll, scroll, scroll, als een gokverslaafde aan de slotmachine veegt onze duim de eeuwigheid tegemoet.
Dezelfde overprikkeling die het organisme bedreigt als het alle prikkels evenwaardig zou selecteren en verwerken, dreigt de mens te overspoelen via de reeds ‘op maat gemaakte’ beelden. De mens kan in het beeld zelf geen prikkels meer selecteren en negeren, net omdat ze a priori al spreken tot de mens, dus zoekt het elders om te filteren. Het aanzuigeffect dekt onze ervaring toe in een warme, “womblike” cocon – een capsule [20] De Cauter, De Capsulaire beschaving: Over de stad in het tijdperk van de angst. – die al het onwenselijke en storende weert [21] Leach, The Anaesthetics of Architecture. 9 – 15, net die prikkels die afleiden van de beeldenstroom: andere zintuigen, interne driften, gedachten, herinneringen, reflecties … Kortom de hele sensoriële ervaring wordt weg gefilterd ten voordele van de allesomvattende beeldenpracht.

Opnieuw zet deze maatschappelijke situatie van de beeldcultuur het architectuurdiscours onder druk, waar beelden simpelweg een broodnodig middel zijn voor de gebruikelijke productie van architectuur.
Leach stelt vast dat het beeld de architect vervreemdt van de echte geleefde ruimte. [22] Leach. 9 – 15 De hele resem beeldende technieken in de gereedschapskist van de architect reduceren de sensoriële en subjectieve ruimte tot een louter visuele en objectieve ruimte, waar elke sociale en politieke dimensie van de architectuur gefilterd wordt door de behaaglijke, onbewuste cocon van de architect. Verblind door de roes van de onophoudelijke beeldenstroom verliest de architect het vermogen om een gebouw te zien zonder tussenkomst van het architectuurbeeld, om een gebouw te aanschouwen zoals ze door de gebruiker beleefd wordt. Zelfs in het Labyrint waant de architect zich in zijn Piramide. Zelfs in de concrete ervaring van een architecturaal gebouw ontsnapt de architect niet van zijn door beelden geconditioneerde blik, een blik die volhard is in het bekijken van een gebouw alsof het een beeld is, met of zonder fototoestel in de hand. Het beeld heeft ons de architectuur afgenomen. Het beeld werpt in de architect een grens op tussen de ervaren ruimte en de gerepresenteerde ruimte.

Het brutalisme, waar de kloof tussen de maatschappelijke blik en de architectenblik ongekende dieptes rijkt, is het voorbeeld dat Leach hierbij aanhaalt, maar de drang naar het beeld snijdt dieper. Sinds de komst van de spektakelmaatschappij [23] Debord, De Spektakelmaatschappij., lijkt in elke radicale architectuurbeweging de focus op architecturale, sociale en politieke standpunten meer en meer te verschuiven naar een esthetische expressie. Radicale grafiek lijkt in eerste instantie vooral een manier om de breuk met de traditie te representeren, om letterlijk in contrast te staan met rest van het architectuurdiscours, maar in realiteit is het een afleiding en verdoezeling voor de manier waarop een utopie faalt. [24] Jeremy Till, Architecture Depends (Cambridge, Massachusetts: The MIT Press, 2009). Zogezegde gebouwde realisaties van de utopie, die in de economische, sociale en technische realiteit terechtkomen, worden vaak afgedaan als afkooksels van het gedachtengoed. “The drawing as autonomous was not there, architecture was. [25] Till. 23

Ook Debord wijst op de grenzen die het architectuurbeeld opwerpen tussen de maatschappij en de architectuurwereld. Door onze obsessie met het architectuurbeeld, is de architectuur meer een meer een “afzonderlijke schijnwereld [26] “2. De beelden die zich van ieder aspect van het leven hebben losgemaakt, versmelten in een gemeenschappelijke stroom, waarin de eenheid van dit leven niet meer kan worden hersteld. De gedeeltelijk beschouwde werkelijkheid ontvouwt zich in haar eigen algemene eenheid als afzonderlijke schijnwereld, slechts object van aanschouwing. De verbijzondering van de beelden van de wereld wordt in voltooide vorm teruggevonden in de wereld van het autonoom geworden beeld, waar het leugenachtige zichzelf belogen heeft. Het spektakel is in het algemeen, als concrete omkering van het leven, de autonome beweging van het niet-levende.” Debord, De Spektakelmaatschappij. 9 geworden, “slechts object van aanschouwing”. De architectuurcultuur, die pretendeert een voorbeeld voor of trekker van de gebouwde wereld te zijn, geraakt geïsoleerd en gescheiden van deze realiteit [27] Till, Architecture Depends.. Ze waant er zich boven, als een soort ideaalbeeld, als toonmodel of toekomstbeeld voor de gebouwen van alledag, maar in feite is ze een geïsoleerd clubje van academici en kansrijke pseudo-kunstenaars die steeds minder grip hebben op het dagdagelijkse, economische bouwen.

Maar men kan de architectuurarbeider niets verwijten. “Gescheiden van zijn product produceert de mens zelf met steeds grotere macht alle details van zijn wereld, en zo vindt hij zichzelf steeds meer van zijn wereld gescheiden. [28] Debord, De Spektakelmaatschappij. 20 De architectuurwereld werkt zijn eigen vervreemding onbewust in de hand. Te meer de architectuurwereld zijn eigen spektakel(productie) aanvaardt, des te meer ze wegzakt in de beeldenroes, des te meer zij vervreemd geraakt van de maatschappij en haar architectuur, des te meer zij uiteindelijk opnieuw grijpt naar het produceren en aanschouwen van zijn spektakel. “Saturation, intoxication, complacency [29] Leach, The Anaesthetics of Architecture. 55.



D) Epiloog – Over vandaag


Loos moet postuum definitief het onderspit delven in de strijd tegen zijn collega-architecten [30] Adolf Loos, Architectuur en al het andere, onder redactie van Pieter Jan Gijsberts, vertaald door Ineke van der Burg (Rotterdam: NAi Uitgevers, 2016).. De architect als tekenaar lijkt in elke hoek van het architectuurdiscours doorgedrongen te zijn, en nergens is er nog een splinter van verzet terug te vinden.

Het draait niet meer om de ruimtelijkheid, niet meer om de ervaring van de bezoeker en de bewoner, maar om het beeld. Op elk moment in de totstandkoming van een architecturaal gebouw verschijnt het reële gebouw zich bijna uitsluitend via zijn architectuurbeelden aan ons. Het beeld intermedieert steeds tussen ons en het gebouw. Op elk moment is het beeld de facto de enige realiteit van een gebouw: vanaf het ontwerp, tot de selectie en in het discours na realisatie komen we enkel met de beelden van een gebouw in contact. We denken het gebouw te kennen, maar we kennen enkel zijn beelden.

De wedstrijdcultuur wordt vaak vermeld als één van de motoren achter de bloei van onze hedendaagse Belgische architectuurcultuur. Omdat er enkel wedstrijden worden uitgeschreven voor belangrijke, publieke, complexe en/of gevoelige programma’s, vormt wedstrijdarchitectuur een cruciaal onderdeel van onze gebouwde realiteit en het architectuurdiscours.
Verschillende architectuurbureau ’s dingen in zo’n wedstrijd mee naar de realisatie van hun voorstel. De jury baseert zijn oordeel , per definitie, enkel op basis van de representatie van het ontwerp. Elke gebouwde winnaar van zo’n wedstrijd is met andere woorden in de eerste plaats opgevat vanuit zijn architectuurbeeld, en minder vanuit zijn architectuur zelf. Bovendien zijn deze wedstrijden vaak uiterst competitief, omwille van hun impact op de naamsbekendheid en dus op het overleven van architectuurbureaus. Deelnemers hebben er dus alle belang bij om de magische overtuigingskracht en inherente bedrieglijkheid van het beeld maximaal in te zetten. Grafici en fotografen worden niet meer na oplevering, maar al bij de ontwerptafel uitgenodigd. Het resultaat is een architectuurlandschap dat in de eerste plaats beantwoordt aan zijn beeld, en minder aan zijn ruimte, vraag of context.

Maar ook na de oplevering van een gebouw, al dan niet via een wedstrijd, blijft het beeld tussen ons en het gebouw in zitten. In tijdschriften en boeken, in opleidingen en cursussen, op Instagram en via google zien we enkel beelden van gebouwen. Het wordt pijnlijk als we, ieder voor zich, de vergelijking maken tussen het aantal effectief bezochte gebouwen en het aantal gebouwen dat we ‘kennen’. Ons hoofd zit vol met fantoomgebouwen, gebouwen die we denken te kennen, denken te begrijpen, maar waar we uiteindelijk maar een handvol beelden voor de geest van kunnen halen.

Tot slot is vooral het architectuuronderwijs een bolwerk van de beeldcultuur. Architectuuronderwijs vandaag staat volledig in het teken van de perfecte representatie. Er is geen plaats meer om stil te staan. Een kapitalistisch streven naar spektakel, naar snelheid en naar efficiëntie heeft het onderwijs definitief binnengedrongen [31] Charlotte Malterre-Barthes, ‘Normalizing the crisis? Notes on online teaching’, Trans, september 2020.. Studenten zijn verplicht – ze verplichten vooral zichzelf – om constant te focussen op het verkopen van hun ontwerp in plaats van het ontwerp zelf. Duidelijkheid, schoonheid en scherpte overheersen; het leren, het dwalen, het zoeken en vooral het falen zijn afgeraden.

Architectuuronderwijs is enkel mogelijk via het beeld – daar kan men niet omheen. Het is echter wel mogelijk om dit te benoemen, om uit te spreken dat we enkel maar met beelden bezig zijn, dat de architectuur zelf pas voor buiten de opleiding is. Het blijft mogelijk om, tegen alle kansen in, te streven naar zoveel mogelijk architectuur, zoveel mogelijk ruimte in een architectuuropleiding. De focus op het beeld vervreemdt ons van nood aan architectuur. De manier waarop het architectuuronderwijs plotsklaps volledig online kwam te staan is symptomatisch voor de overtuiging dat we de architectuur zelf niet nodig hebben in de architectuuropleiding. Enkel het scherm en het beeld volstaan.

1. Bart Verschaffel, ‘Wantrouw het beeld!’, in De zaak van de kunst (Gent: A & S / books, 2010).p. 26

2. Lisa De Visscher, red., Representation, vol. 274, A+ (Brussel: ICASD, 2018).

3. Doorheen de tekst verwijs ik vaak naar een reeks termen die erg breed te begrijpen vallen. Om zo volledig en precies mogelijk te zijn, worden de betreffende termen en hun interpretaties voor de duur van deze tekst hieronder op gelijst.
‘de beelden’ = elk beeldend medium dat vandaag in de publieke en private sfeer wijdverspreid, met uitbreiding van het geluid die bij of de tekst die in het beeld gegeven zijn.
‘de beeldcultuur’ = de huidige maatschappij waarin de beelden wijdverspreid zijn.
‘de architectuurwereld’ = de verzameling personen die intensief, al dan niet professioneel, met elkaar in dialoog gaan voor en over de architectuur.
‘het architectuurdiscours’ = de verzamelde, hedendaagse dialoog van de architectuurwereld.
‘de architectuurbeelden’ = elke representatie van architectuur in beelden, gebouwd of niet, die gebruikt wordt in het architectuurdiscours, en elke representatie van architectuur in beelden die door de architectuurwereld aan de maatschappij wordt gepresenteerd.
‘een architecturaal gebouw’ = een gebouw dat behandeld wordt in het architectuurdiscours.

4. Bernard Tschumi, ‘The Architectural Paradox’, Studio International, oktober 1975. 48

5. Tschumi. 48.

6. Marcel Duchamp, ‘The Creative Act’, in The essential writings of Marcel Duchamp, onder redactie van Michel Sanouillet en Elmer Peterson (New York: Da Capo, 1973), 138–40.

7. Bernard Tschumi, ‘Architecture and Transgression’, Oppositions, Winter 1976.

8. ieven De Cauter, De Capsulaire beschaving: Over de stad in het tijdperk van de angst, Reflect 03 (Rotterdam: NAi Uitgevers, 2009).

9. De Cauter. 41.

10. Guy Debord, De Spektakelmaatschappij, vertaald door Jaap Kloosterman (Bussum: Wereldvenster, 1976). 10.

11. Neil Leach, The Anaesthetics of Architecture (Cambridge, Massachusetts: The MIT Press, 1999).

12. Louis Schreel, Esthetica I: De Esthetische Ervaring Beschouwd Vanuit Lichaam, Brein en Bewustzijn (Gent: Faculteit Letteren en Wijsbegeert, Vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap, 2020).

13. Het boek doet dit beter dan ik binnen deze tekst ooit zou kunnen doen.

14. Het simulacrum beschrijft Baudrillard als een soort afgesloten geheel aan tekens en beelden die de realiteit en onze ervaring van de realiteit vervangt en simuleert. De beelden en tekens verwijzen enkel nog naar elkaar, ze vormen een voortdurende, circulaire tautologie dat op geen enkele manier meer verwijst naar het echte. Baudrillard betoogt dat ons leven zich enkel nog binnenin dit simulacrum afspeelt; de echte realiteit is uitgesloten van onze ervaring. Jean Baudrillard, Simulacrum and Simulation, vertaald door Sheila Faria Glaser (Michigan: The University of Michigan Press, 1994).

15. Debord, De Spektakelmaatschappij.

16. Schreel, Esthetica I: De Esthetische Ervaring Beschouwd Vanuit Lichaam, Brein en Bewustzijn.

17. Schreel.

18. Verschaffel, ‘Wantrouw het beeld!’

19. Leach, The Anaesthetics of Architecture; Leach. 43 – 45

20. De Cauter, De Capsulaire beschaving: Over de stad in het tijdperk van de angst.

21. Leach, The Anaesthetics of Architecture. 9 – 15

22. Leach. 9 – 15

23. Debord, De Spektakelmaatschappij.

24. Jeremy Till, Architecture Depends (Cambridge, Massachusetts: The MIT Press, 2009).

25. Till. 23

26. “2. De beelden die zich van ieder aspect van het leven hebben losgemaakt, versmelten in een gemeenschappelijke stroom, waarin de eenheid van dit leven niet meer kan worden hersteld. De gedeeltelijk beschouwde werkelijkheid ontvouwt zich in haar eigen algemene eenheid als afzonderlijke schijnwereld, slechts object van aanschouwing. De verbijzondering van de beelden van de wereld wordt in voltooide vorm teruggevonden in de wereld van het autonoom geworden beeld, waar het leugenachtige zichzelf belogen heeft. Het spektakel is in het algemeen, als concrete omkering van het leven, de autonome beweging van het niet-levende.” Debord, De Spektakelmaatschappij. 9

27. Till, Architecture Depends.

28. Debord, De Spektakelmaatschappij. 20

29. Leach, The Anaesthetics of Architecture. 55

30. Adolf Loos, Architectuur en al het andere, onder redactie van Pieter Jan Gijsberts, vertaald door Ineke van der Burg (Rotterdam: NAi Uitgevers, 2016).

31. Charlotte Malterre-Barthes, ‘Normalizing the crisis? Notes on online teaching’, Trans, september 2020.